Lezing Kleine IJstijd en kunst 1 & 8 juni 2023

Hoe beïnvloed het weer de kunst? 4 tot 6 eeuwen geleden was het koud in Europa. Er heerste de pest. Beide hadden grote gevolgen voor wereldbeschouwing en kunst. De lezingen worden in 2 delen, op een boeiende wijze gebracht door Hans Alles .

Lezing Kleine IJstijd en kunst 1 & 8 juni 2023

Lezing Kleine IJstijd en kunst

De Kleine IJstijd duurde een paar eeuwen en wel van 1300 tot 1870. Deze lezing richt zich vooral op de eerste helft ervan, tot ongeveer 1630.

Wanneer we aan de Kleine IJstijd denken moeten we zeker niet alleen denken aan ijspret, zoals in de schilderijen van de Kampenaar Hendrick Avercamp (1558-1634). De eerste helft van de Kleine IJstijd is wellicht een van de gruwelijkste periodes uit de Europese geschiedenis. Aan het begin van de Kleine IJstijd arriveerde de pest in Europa, waarbij een derde van de bevolking werd weggevaagd. Het zou nog eeuwen duren voordat deze ziekte verdwenen was.

De lezingen worden op een boeiende wijze gebracht door Hans Alles. Lees hiernaast meer over Hans.


De IJstijd zelf leidde tot zeer koude winters, heel natte of droge zomers. Hongersnoden en daaraan verbonden ziektes waren een geregeld terugkerend verschijnsel, transporten werden bemoeilijkt door vele overstromingen of juist door langdurig bevroren rivieren en kanalen. Kortom een opeenstapeling van kommer en kwel. Dit alles leidde tot meer oorlog, geweld, onvrede, intolerantie, geloofsvervolging, beeldenstorm en het aanwijzen van schuldigen voor al deze ellende zoals heksen, joden, weerwolven, ongelovigen en vrolijke levensstijl van mensen enz.

Dit alles kon niet zonder gevolgen blijven, die overigens tot op heden doorklinken in cultuur en afbeeldingen. Symbolisch voor die ontwikkeling is de overgang van Christus Koning naar de Lijdende Christus. Het aardse leven werd gezien als een lijdensweg naar het hiernamaals. Het aards paradijs, Luilekkerland , ook wel het land van Cocagne genoemd, werd niet meer als en fijne droom beschouwd maar als een teken van luiheid en ledigheid: immers “gij zult werken” en “ledigheid is des duivels oorkussen”. Melancholie werd een thema en als een , soms duivelse, ziekte beschouwd. De duivels en monsters uit de vroege Middeleeuwen zagen er niet kwaadaardig uit en hadden dikwijls mooie kleuren. Dit veranderde gedurende de 15e eeuw. Zij werden echte monsters, iets dat we bij Jeroen Bosch (1450-1516) terug zien. Het is dan ook vanaf die periode, dat lelijkheid een optie werd om afschuwwekkend af te beelden. De afbeeldingen in de 16eeeuw worden wreed, botte satire, moralistisch en wijzend op de leegheid en zondigheid van het bestaan, duivels doen er nu echt toe.

Boven zagen we Avercamp, hieronder Pieter Bruegel de Oude (ca. 1525-1569) en wel zijn “ekster op de galg”, zijn laatste schilderij. Het is een duister beeld. De ekster is de vogel die klapt (zie: verklappen, achterklap enz.), dat staat voor verraden. Er zit er één op de galg en lager eentje op het hakblok. Kortom door zijn geklets kom je aan de galg of word je onthoofd. In de linker benedenhoek zit een man te schijten, hij heeft schijt aan alles. Verder zie je vrolijk dansende boeren, maar dat kan tijdelijk zijn gezien het waterrad op de achtergrond, met andere woorden de feestvierenden zien het gevaar niet. Maar wat doen die twee goed geklede mannen daar? Bedenk, dat dit werk was gemaakt toen de hertog van Alva net met zijn Spaanse troepen in Lage Landen was aangekomen en als regent van de Lage Landen (1567–1572) was aangesteld. Hij stelde  een bloedige vervolging in, de beeldenstorm was over haar hoogtepunt heen en verklikkers kregen geld als zij iemand aanbrachten.


Adres

Cultuurhuis Almere Buiten locatie II 
-ingang naast de bibliotheek (Erfgoedhuis), 3e etage
1334 KA Almere

Datum en tijd

Donderdag 1 juni | deel 1
Donderdag 8 juni | deel 2
2023
19.30 uur – zaal open
20.00 uur – aanvang lezing
22.00 – einde

Kosten voor bezoekers

€ 11,50 via Eventbrite om aan beide lezingen deel te nemen.

Incl. kopje koffie of thee

Beperkt aantal tickets aan de deur verkrijgbaar.

Hans Alles:

“Na wat omzwervingen studeerde ik in 1982 aan geschiedenisfaculteit van de Universiteit van Amsterdam af met een onderwerp uit Afrikaanse geschiedenis. Nadat ik verscheidene malen dat continent bereisd had en verschillende (historische) publicaties over Afrika van mijn hand waren verschenen, verschoof van lieverlede mijn aandacht naar een andere historische vraag. Deze vraag kwam bij mij op door de, ook in de politiek, debatten over de wortels van ‘onze’ beschaving. Gewezen werd toen op het Christendom, de Grieken en Romeinen. Hier werd voorbijgegaan aan de vraag hoe komen de ideeën van deze volkeren en die religie tot stand. Zij blijken in hoge mate beïnvloed geweest te zijn door het oude Mesopotamië en het oude Perzië en daarna heb me een tijd met de geschiedenis van West Azië beziggehouden. Onontkoombaar kom ik bij de Zijderoute uit en daarmee op de geschiedenis van Centraal Azië, waarover ik een boek geschreven heb. Ondertussen pakte ik mijn oude liefde weer op, de Europese Middeleeuwen en de effecten van klimaatverandering op de geschiedenis.”